De fiscale neveneffecten van de “Europese Boekhoudrichtlijn”

De omzetting van de zogenaamde “Europese Boekhoudrichtlijn” in ons nationaal recht zorgt sinds 1 januari 2016 voor de grootste aanpassing in de geschiedenis van het Belgisch boekhoudrecht. Deze richtlijn beoogt een modernisering en administratieve vereenvoudiging van het jaarrekeningrecht, maar heeft ook een aantal aangename fiscale neveneffecten voor familiebedrijven.

Hierna volgt een bondig overzicht van de belangrijkste wijzigingen die een impact hebben voor het familiebedrijf.

 

Verhoging drempels leidt tot vereenvoudiging

Door een verhoging van de drempelbedragen voor de jaaromzet van 7,3 miljoen euro naar 9 miljoen en het balanstotaal van 3,65 miljoen euro naar 4,5 miljoen  zullen vooral kleine (en middelgrote) familiebedrijven hun administratieve lasten zien dalen.

De aanpassing van deze drempels heeft immers een impact op het feit of een onderneming al dan niet als “grote” vennootschap wordt gekwalificeerd en o.a. haar jaarrekening moet  publiceren volgens het volledige schema en een commissaris moet aanstellen.

Om uit te maken of een vennootschap groot of klein is, zal men vanaf 1 januari 2016 de overschrijding van deze criteria moeten toetsen over twee achtereenvolgende boekjaren. Er zit dus een vertragingseffect op de overgang van het ene statuut naar het andere, en dit in beide richtingen.

Tot nu moest de vennootschap wel gedurende twee boekjaren aan de criteria voldoen, om als klein te worden beschouwd, terwijl een éénmalige overschrijding van de drempels onmiddellijk de kwalificatie als “grote” vennootschap inhield. Bij de invoering wordt een overgangsregime voorzien, waarbij het eerste boekjaar dat na 31/12/2015 een aanvang neemt nog volgens de oude spelregels zal worden beoordeeld.

Er zijn nog twee andere belangrijke vereenvoudigingen. De eerste is het schrappen van de apriori kwalificatie als “grote” vennootschap wanneer meer dan 100 personeelsleden worden tewerkgesteld. En daarnaast moet men de interpretatie van deze drempels voortaan enkel op geconsolideerd niveau bekijken in hoofde van moedervennootschappen en vennootschappen die een consortium vormen. Dochterondernemingen die zelf geen participaties aanhouden of deel uit maken van het consortium hoeven niet langer te worden meegenomen voor de bepaling van de drempeloverschrijding.

 

Vrijstelling consolidatieplicht familiale groepen met beperkte omvang

Ook voor groepen met beperkte omvang worden de drempels voor vrijstelling tot consolidatie geïndexeerd tot 17 miljoen euro balanstotaal en 34 miljoen euro jaaromzet.

 

Invoering van de Belgische micro-vennootschap

Dit nieuwe type vennootschap betreft de ondernemingen die op balansdatum niet meer dan één van navolgende criteria overschrijden: jaargemiddelde personeelsbestand van 10, jaaromzet excl. btw 700.000 euro en een balanstotaal van 350.000 EUR.

Zij zullen veel minder informatie moeten verstrekken in de toelichting bij de jaarrekening. Een micro-vennootschap zal ook kunnen genieten van enkele bijkomende fiscale gunstmaatregelen (zoals bijvoorbeeld een verhoogde belastingsvermindering Tax Shelter en een vrijstelling van doorstorting BV voor starters).

 

Fiscale neveneffecten

De omzetting van de boekhoudrichtlijn lijkt er ook voor te zorgen dat meer familiebedrijven (opnieuw) aanspraak zullen kunnen maken op de fiscale voordelen die gekoppeld zijn aan het statuut van “kleine” vennootschap.

We denken dan aan de mogelijkheden voor een verhoogde investeringsaftrek en notionele interest aftrek, hogere vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing of om een soepelere octrooiaftrek te genieten, criteria voor het aanleggen liquidatiereserve, ontsnappen aan het regime van de Fairness tax, enzovoort.

Maar er zitten spijtig genoeg ook een paar addertjes onder het gras. Zo werkt de beperkte consolidatieverplichting niet door op fiscaal vlak en moeten voor fiscale doeleinden de drempels nog steeds op geconsolideerd niveau beoordeeld worden voor alle verbonden vennootschappen, met inbegrip van de dochtervennootschappen die geen consortium vormen.

Bij het bepalen van de belastingpositie van de vennootschap zal men dus waakzaam moeten blijven en kan deze discrepantie tussen boekhoudkundig en fiscaal recht leiden tot vreemde situaties. Zo zal een onderneming die boekhoudkundig niet langer voldoet aan de consolidatieverplichting een nieuwe investering van het boekjaar toch voor 100% kunnen afschrijven, maar zal zij fiscaal enkel de pro-rata afschrijving mogen toepassen.

Voor innovatieve ondernemers is het tot slot van belang te noteren dat kosten voor onderzoek niet langer kunnen geactiveerd of afgeschreven worden. Wat dan weer als neveneffect heeft dat deze investeringen niet meer in aanmerking komen voor de toepassing van de investeringsaftrek en het belastingkrediet voor onderzoek en ontwikkeling.

Of hoe de beoogde boekhoudkundige vereenvoudiging voor de familiale ondernemer nog steeds geen afdoend antwoord biedt op zijn verzuchting van meer coherentie tussen de economische en fiscale balans van zijn onderneming.

                                     

Johan Vandenbroeck, BDO.

2016 03 16