Liquidatiereserves uitkeren of een VVPR-bis-dividend opnemen?

Op de komende jaarvergadering over het boekjaar 2019 zullen veel vennootschappen voor de eerste keer een liquidatiereserve kunnen uitkeren waarop slechts 5% roerende voorheffing ingehouden moet worden. Welke liquidatiereserves komen daarvoor precies in aanmerking? Welke gevolgen heeft een uitkering voor de vennootschapsbelasting, en met welke vennootschapsrechtelijke regels moet u rekening houden? Stel dat u méér wilt uitkeren en ook liquidatiereserves van andere (latere) boekjaren wilt uitkeren omdat u privé geld nodig heeft, hoeveel kost u dat dan? En is in 2020 een liquidatiereserve uitkeren wel altijd opportuun? Of is de toekenning van een VVPR-bis-dividend soms een betere optie?

Wat is een liquidatiereserve nu weer juist?

Zogenaamde ‘kleine’ vennootschappen - de meeste kmo’s dus - kunnen hun winst na vennootschapsbelasting overboeken naar een liquidatiereserve. Ze betalen daar dan nog een afzonderlijke, bijkomende belasting van 10% op. Na vijf jaar kan de liquidatiereserve uitgekeerd worden tegen slechts 5% roerende voorheffing. Op de winst die u op deze manier uit uw vennootschap haalt, betaalt u dus in totaal iets minder dan 15% belasting, tegenover de in principe 30% roerende voorheffing op een ‘gewoon’ dividend. Wacht u met die uitkering tot bij de vereffening van uw vennootschap, dan wordt u zelfs helemaal niet meer belast op de liquidatiereserve. In dat geval heeft u dus winst uit uw vennootschap gehaald tegen ‘slechts’ 10% belasting - tegenover in principe 30% roerende voorheffing op de zogenaamde ‘liquidatiebonus’.

Kort samengevat: door de winst van uw vennootschap naar een liquidatiereserve over te boeken kunt u dat geld na vijf jaar uit uw vennootschap halen tegen een belastingdruk van net geen 15%, of tegen 10% indien u uw vennootschap vereffent.

Een liquidatiereserve kon ten vroegste voor aanslagjaar 2015 geboekt worden, voor de winst van boekjaar 2014. Voor de reserves van boekjaar 2013 en 2012 werd een ‘bijzondere’ liquidatiereserve uitgewerkt (omdat deze reserves anders noch van de ‘vastklikregeling’ van de regering Di Rupo, noch van de gewone liquidatiereserve gebruik konden maken, en dus bij uitkering uit de vennootschap zwaarder belast zouden worden).

Pro memorie: tot 1 oktober 2014 was het mogelijk om onder bepaalde voorwaarden en eenmalig de op dat ogenblik bestaande reserves ‘vast te klikken’ tegen de onmiddellijke betaling van 10% roerende voorheffing, waardoor die ten vroegste vier jaar later belastingvrij uitgekeerd konden worden. Die eenmalige mogelijkheid werd door de volgende regering herwerkt tot de permanente regeling van de liquidatiereserve.

Met welke fiscale regels moet u rekening houden?

Welke winst komt voor een liquidatiereserve in aanmerking?

Het is de algemene (jaar)vergadering van de vennootschap die over de bestemming van de winst van de vennootschap beslist. U kunt dus op de volgende jaarvergadering beslissen om (een gedeelte van) de boekhoudkundige winst over te boeken naar de liquidatiereserve. Het gaat over de winst die overblijft na betaling van de vennootschapsbelasting. U kunt de volledige winst na belasting van het boekjaar naar een liquidatiereserve overboeken.

U moet wel vijf jaar wachten

Om slechts 5% roerende voorheffing te betalen moet u minstens vijf jaar wachten voordat u de winst die u naar een liquidatiereserve overgeboekt heeft, via een dividenduitkering naar uw privévermogen kunt transfereren. Dat betekent dat u dit jaar voor het eerst zo’n voordelige dividenduitkering kunt doen. Het is immers precies vijf jaar geleden dat u voor het eerst een liquidatiereserve kon aanleggen in uw vennootschap (jaarvergadering van 2015, over de bestemming van de winst van boekjaar 2014).

Wilt u om de een of andere reden geen vijf jaar wachten om de liquidatiereserve via een dividenduitkering uit uw vennootschap te halen, dan moet er door uw vennootschap meer dan 5% roerende voorheffing ingehouden worden (zie verder).

Welke invloed heeft de aanleg van een liquidatiereserve op de vennootschapsbelasting?

Wanneer u een dividenduitkering doet daalt het zogenaamde ‘eigen vermogen’ van uw vennootschap. Dat eigen vermogen is het bedrag waarop de notionele interestaftrek berekend wordt. Wanneer het eigen vermogen daalt geniet uw vennootschap dus ook minder notionele interestaftrek. Maar aangezien de notionele interestaftrek sinds de hervorming van de vennootschapsbelasting niet zoveel meer voorstelt (een lager tarief en enkel nog berekend op de aangroei van het eigen vermogen van de laatste vijf jaar), is het fiscaal verlies voor uw vennootschap doorgaans eerder beperkt.

Een tweede gevolg is dat u minder fiscaalvriendelijke interesten uit uw vennootschap kunt halen. Heeft u namelijk een lening toegestaan aan uw vennootschap, of heeft u een tegoed op uw rekening-courant (een vordering op uw vennootschap die in feite ook een lening zonder vaste looptijd is), dan kunt u uw vennootschap op dat bedrag interesten aan u laten betalen. Voor haar zijn de betaalde interesten fiscaal aftrekbaar, en u betaalt op het ontvangen bedrag in principe 30% roerende voorheffing. De betaalde interest moet wel ‘marktconform’ zijn. Fiscaal gezien is dit interessanter dan dividenden, waarop u ook 30% roerende voorheffing betaalt maar die voor uw vennootschap niet aftrekbaar zijn.

Het bedrag aan fiscaalvriendelijke interesten dat u van uw vennootschap mag krijgen, wordt niet enkel door de hoogte van de toegelaten interestvoet bepaald (deze moet ‘marktconform’ zijn), maar ook door de in uw vennootschap aanwezige reserves en kapitaal. Bij de uitkering van een liquidatiereserve dalen de reserves, en daardoor dus ook het bedrag aan fiscaalvriendelijke interesten dat uitgekeerd mag worden. Worden er meer interesten uitgekeerd dan toegelaten is, dan wordt het ‘teveel’ aan uitgekeerde interesten in (fiscaal minder interessante) dividenden geherkwalificeerd.

Voor het tarief van de vennootschapsbelasting is de grootte van het dividend in tegenstelling tot vroeger niet meer van belang. De zogenaamde 13%-grens om in aanmerking te komen voor het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting is immers sinds aanslagjaar 2019 afgeschaft (ten gevolge van de algemene verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting naar (in principe) 25% vanaf aanslagjaar 2021).

Roerende voorheffing

Aangezien de uitkering van een liquidatiereserve een dividenduitkering is, moet uw vennootschap op het uitgekeerde bedrag ook roerende voorheffing inhouden. Die roerende voorheffing komt bovenop de afzonderlijke belasting van 10% die uw vennootschap bij de aanleg van de liquidatiereserve betaald heeft. Enkel indien de uitkering bij de vereffening van de vennootschap gebeurt, wordt ze niet als dividend beschouwd en hoeft er dus geen roerende voorheffing meer op ingehouden te worden. In dat geval is de 10% extra belasting bij de aanleg van de liquidatiereserve meteen ook de eindbelasting.

Wordt een liquidatiereserve op een ander tijdstip dan bij de vereffening uitgekeerd, dan bedraagt het tarief van de roerende voorheffing naar gelang het geval 17%, 20% of 5%.

Zoals gezegd geldt het tarief van 5% voor de uitkering van liquidatiereserves die al minstens vijf jaar oud zijn (te rekenen vanaf de balansdatum van het boekjaar van aanleg). Stel dat uw vennootschap in 2014 na vennootschapsbelasting een winst van 110.000 euro had. Ze heeft deze winst toen in een liquidatiereserve van 100.000 euro omgezet en een afzonderlijke heffing van 10% of 10.000 euro betaald. Als u nu in 2020 beslist om die reserve van 100.000 euro (niet 90.000 euro!) uit te keren als een dividend, dan wordt daar nog 5.000 euro roerende voorheffing op ingehouden. U krijgt netto met andere woorden 95.000 euro. In het totaal heeft uw vennootschap dan 110.000 euro betaald, waarvan 15.000 euro belastingen. Concreet komt dat neer op een tarief van 13,64%. Dat is dus nog iets minder dan het laagst mogelijke tarief inzake roerende voorheffing op dividenden, namelijk 15% roerende voorheffing op de zogenaamde vvpr-bis dividenden (zie verder).

Let op: voor de bijzondere liquidatiereserves (zie hoger) begint de termijn van vijf jaar pas te lopen vanaf de balansdatum van de boekjaren waarin ze geboekt werden (dus 2015 of 2015-2016 en 2016 of 2016-2017), en niet van de boekjaren waarvoor ze aangelegd konden worden (dus 2012 of 2012-2013 en 2013 of 2013-2014).

Het tarief van 17% is van toepassing op liquidatiereserves aangelegd tot en met het boekjaar 2016 of het gebroken boekjaar 2016-2017. Op de uitkering van bijzondere liquidatiereserves in 2020 moet dus nog 17% roerende voorheffing ingehouden worden! Dat het tarief 17% bedraagt en geen 20%, heeft te maken met het feit dat het normale tarief van de roerende voorheffing op dividenden in het jaar waarop die winst betrekking heeft nog 27% in de plaats van 30% bedroeg.

Het tarief van 20% is van toepassing op liquidatiereserves aangelegd voor het boekjaar 2017 of 2017-2018 (vanaf dan bedroeg het normale tarief van de roerende voorheffing op dividenden 30%), en voor alle latere jaren waarin uw vennootschap een liquidatiereserve uitkeert die nog geen vijf jaar oud is.

Met welke regels uit het (nieuwe) vennootschapsrecht moet u rekening houden?

Behalve met fiscale regels moet u voor de uitkering van liquidatiereserves ook rekening houden met de regels van het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV), ongeacht of u de statuten van uw vennootschap al aan dat wetboek aangepast heeft. Heeft u een BV, dan is de uitkering van de liquidatiereserve onderworpen aan de zogenaamde netto-actief- of balanstest en de liquiditeitstest. Heeft u een NV, dan is enkel de balanstest van toepassing.

Netto-actief- of balanstest

Het is de algemene vergadering van de aandeelhouders die de netto-actieftest moet doen alvorens ze beslist dat de liquidatiereserve uitgekeerd wordt. De netto-actieftest houdt in dat er geen uitkering mag gebeuren wanneer het netto-actief negatief is (lees: de schulden zijn groter dan de bezittingen), of door de uitkering van de liquidatiereserve negatief zou worden. Ook mag het eigen vermogen door de uitkering niet onder het bedrag van het onbeschikbare eigen vermogen dalen. Liquidatiereserves die in strijd met de vennootschapsrechtelijke regels uitgekeerd werden, kunnen van de aandeelhouders teruggevorderd worden.

Liquiditeitstest

Het zijn de bestuurders van de vennootschap die de liquiditeitstest moeten doen. De liquiditeitstest houdt in dat de uitkering van de liquidatiereserve slechts mag plaatsvinden wanneer uw BV haar schulden zal kunnen voldoen, op basis van de redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen. Die schulden zullen in de loop van ten minste twaalf maanden vanaf de datum van de uitkering opeisbaar worden. De bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor eventuele schade die de vennootschap en derden lijden als gevolg van het overtreden van de liquiditeitstest.

Is de uitkering van een vvpr-bis dividend beter?

Fiscaal gezien is er weinig verschil

Op de uitkering van vvpr-bis dividend moet slechts 15% roerende voorheffing ingehouden worden in de plaats van de normale 30%. Er moeten uiteraard een aantal voorwaarden vervuld zijn. De voorwaarden voor vvpr-bis-aandelen zien er kort samengevat als volgt uit:

  • Het moet gaan om nieuwe, niet-preferentiële aandelen van ‘kleine’ vennootschappen.
  • Die aandelen moeten - bij de oprichting van de vennootschap of bij een kapitaalverhoging met uitgifte van nieuwe aandelen - uitgegeven zijn in ruil voor inbrengen in geld, en niet ‘in natura’ (bijvoorbeeld de inbreng van een gebouw).
  • De uitgifte van die aandelen moet vanaf 1 juli 2013 gebeurd zijn.
  • Het moet bovendien gaan om dividenden die toegekend worden uit de winstverdeling, vanaf het derde boekjaar na het boekjaar van de inbreng van het geld. Er geldt dus een zekere wachttermijn.
  • Wilt u in 2020 een liquidatiereserve uitkeren waarop slechts 5% roerende voorheffing ingehouden moet worden? Dat is enkel mogelijk voor de liquidatiereserves die voor het boekjaar 2014 of 2014-2015 aangelegd werden. Op de uitkering in 2020 van bijzondere liquidatiereserves - die voor de boekjaren 2012 of 2012-2013 en 2013 of 2013-2014 aangelegd werden - is echter 17% roerende voorheffing verschuldigd.
  • Voor de vennootschapsbelasting betekent de uitkering van een liquidatiereserve vooral dat uw vennootschap mogelijk op een kleiner bedrag aan notionele-interestaftrek recht zal hebben. Gezien de afbouw van de notionele interestaftrek de voorbije jaren zal de impact voor veel vennootschappen evenwel beperkt zijn.
  • Heeft u bijvoorbeeld via een tegoed op uw rekening-courant geld aan uw vennootschap ter beschikking gesteld en ontvangt u daarvoor een interestvergoeding? Dan kan de uitkering van een liquidatiereserve ervoor zorgen dat die fiscaal interessante interesten sneller geherkwalificeerd worden in fiscaal duurdere dividenden.
  • De uitkering van een liquidatiereserve is onderworpen aan de nettoactieftest (BV en NV) en de liquiditeitstest (BV).
  • Het kan interessanter zijn om nu te opteren voor een vvpr-bis dividend indien u van plan bent om uw vennootschap ooit te vereffenen (bijvoorbeeld indien het om een managementvennootschap gaat). Op de uitkering van ‘vastgeklikte reserves’ en op de uitkering van liquidatiereserves bij de vereffening van de vennootschap, is immers helemaal géén roerende voorheffing verschuldigd.

Als alle voorwaarden samen zijn vervuld moet op die dividenden maar 15% roerende voorheffing ingehouden worden. Dat is dus maar iets meer dan de 13,64% op de liquidatiereserve van 2014 (afzonderlijke aanslag van 10% bij de aanleg ervan + 5% roerende voorheffing).

Heeft u dus de voorbije jaren niet alle winsten na belasting in een liquidatiereserve omgezet (maar als ‘gewone’ reserves geboekt) én voldoen uw aandelen aan de vvpr-bis voorwaarden? Dan kunt u nu kiezen of u een liquidatiereserve dan wel een vvpr-bis dividend uitkeert. Op het eerste gezicht maakt het niet zoveel uit voor welke optie u kiest, al lijkt de liquidatiereserve omwille van het net iets lagere tarief de voorkeur te genieten.

Tenzij u later wilt vereffenen

Toch verdient de uitkering van een vvpr-bis dividend soms de voorkeur boven de uitkering van een liquidatiereserve. Dat is het geval wanneer u van plan bent om uw vennootschap over een aantal jaren te vereffenen (bijvoorbeeld wanneer het om een managementvennootschap gaat die geen nut meer zal hebben wanneer u stopt met werken).

Bij de vereffening van een vennootschap wordt het bedrag dat overblijft na de voldoening van alle schulden van de vennootschap en de verzilvering van al haar activa, aan de aandeelhouders uitgekeerd. Dat bedrag is de zogenaamde liquidatiebonus. Fiscaal wordt dit bedrag als een dividend beschouwd, waarop 30% roerende voorheffing betaald moet worden. Op de liquidatiereserves die bij de vereffening van de vennootschap nog aanwezig zijn, moet daarentegen géén roerende voorheffing betaald worden (zie hoger). Hoe meer het bij de vereffening uitgekeerde bedrag dus uit liquidatiereserves bestaat (en hoe minder uit andere reserves), hoe beter.

Het kan daarom beter zijn om nu zoveel mogelijk vvpr-bis dividenden tegen 15% roerende voorheffing uit te keren, en zo weinig mogelijk liquidatiereserves. Die spaart u immers het beste zoveel mogelijk op, tot bij de vereffening van de vennootschap. Op de liquidatiereserves die bij de vereffening uitgekeerd worden, betaalt u immers geen belasting meer. Zelfs als ze nog geen vijf jaar oud zijn! Op de andere uitgekeerde bedragen (andere dan het gestort kapitaal) betaalt u bij de vereffening echter 30% roerende voorheffing, óók op de uitkering aan vvpr-bis aandelen.

Anders geformuleerd: op de bedragen die u nu als vvpr-bis dividend uitkeert, betaalt u 15% roerende voorheffing. Keert u deze bedragen bij de vereffening van uw vennootschap als liquidatiebonus uit, dan is dat 30%. Op de uitkering van een liquidatiereserve betaalt u nu 5% (en een totale fiscale kost van 13,64%), maar bij de vereffening van uw vennootschap 0% (en een totale fiscale kost van 10%).

Door nu te opteren voor de uitkering van een vvpr-bis dividend in de plaats van een liquidatiereserve, halveert u de fiscale druk op dat bedrag (15% in de plaats van 30%).

Let op: vlak voor de vereffening van uw vennootschap nog snel een groot vvpr-bis dividend uitkeren tegen 15% roerende voorheffing om zo aan de roerende voorheffing van 30% op de liquidatiebonus te ontsnappen, is een operatie die door fiscus mogelijk via de algemene antimisbruikbepaling gecounterd kan worden, waardoor u toch 30% zal moeten betalen.

Bovendien is het zo dat wanneer uw vennootschap vóór 1 juli 2013 opgericht is, ze sowieso nooit alle andere belaste reserves dan liquidatiereserves met minder dan 30% roerende voorheffing kan uitkeren. Aandelen van vóór 1 juli 2013 kunnen immers nooit VVPR-bis-aandelen zijn. Liquidatiereserves kunnen daarentegen wel aan alle aandelen als dividend uitgekeerd worden met verlaagde roerende voorheffing.

Een bijkomende opportuniteit?

Ten slotte merken we op dat als u in 2013-2014 reserves ‘vastgeklikt’ heeft in het kapitaal, en uw vennootschap toen klein was, u een nog goedkoper alternatief heeft: u kunt die reserves nu uitkeren zonder roerende voorheffing. U moet daarvoor weliswaar naar de notaris gaan aangezien het om een kapitaalvermindering gaat, maar dat moet u toch al doen om de statuten van uw vennootschap aan te passen aan het nieuwe Wetboek van Vennootschappen.

Conclusie:

  • Wilt u in 2020 een liquidatiereserve uitkeren waarop slechts 5% roerende voorheffing ingehouden moet worden? Dat is enkel mogelijk voor de liquidatiereserves die voor het boekjaar 2014 of 2014-2015 aangelegd werden. Op de uitkering in 2020 van bijzondere liquidatiereserves - die voor de boekjaren 2012 of 2012-2013 en 2013 of 2013-2014 aangelegd werden - is echter 17% roerende voorheffing verschuldigd.
  • Voor de vennootschapsbelasting betekent de uitkering van een liquidatiereserve vooral dat uw vennootschap mogelijk op een kleiner bedrag aan notionele-interestaftrek recht zal hebben. Gezien de afbouw van de notionele interestaftrek de voorbije jaren zal de impact voor veel vennootschappen evenwel beperkt zijn.
  • Heeft u bijvoorbeeld via een tegoed op uw rekening-courant geld aan uw vennootschap ter beschikking gesteld en ontvangt u daarvoor een interestvergoeding? Dan kan de uitkering van een liquidatiereserve ervoor zorgen dat die fiscaal interessante interesten sneller geherkwalificeerd worden in fiscaal duurdere dividenden.
  • De uitkering van een liquidatiereserve is onderworpen aan de nettoactieftest (BV en NV) en de liquiditeitstest (BV).