Noodzaakt de COVID-19-crisis aanpassingen in het verrekenprijsbeleid en gaat de belastingadministratie hierin mee?

De huidige economische crisis ten gevolge van de COVID-19-crisis is ongezien. Heel wat sectoren en/of bedrijven ondergaan een neerwaartse druk op hun bedrijfsresultaat en in heel wat gevallen zal het jaarresultaat met rode inkt geschreven worden. Voor ondernemingsgroepen die internationaal gestructureerd zijn en dus over vestigingen (onder de vorm van vennootschappen en/of bijhuizen) in het buitenland beschikken, stelt zich de vraag hoe dit verslechterd bedrijfsresultaat dient verdeeld te worden over de diverse vestigingen in het binnen-en buitenland.

Of de buitenlandse vestigingen mee dienen te participeren in het verslechterd bedrijfsresultaat (een verminderde groepswinst of een groepsverlies) wordt deels bepaald door het gehanteerde bedrijfsmodel. Wanneer één of enkele groepsvennootschappen de belangrijkste functies uitoefenen, de grootste ondernemingsrisico’s dragen (en aansturen), bedrijfsmiddelen (in bijzonder de immateriële, zoals know how, octrooien, enz) bezitten en de rest van de groepsondernemingen eerder een beperkt functie- en risicoprofiel heeft en uitvoeren wat er centraal beslist wordt, dan verwacht de fiscus eerder dat die één of enkele groepsvennootschappen die de ondernemingsgroep aansturen de financiële impact van een economische crisis op zich nemen. Heel wat ondernemingsgroepen passen dit ondernemingsmodel (het zogenaamd gecentraliseerd ondernemingsmodel) toe. Typisch voor een dergelijk ondernemingsmodel is dat de groepsondernemingen met een beperkt functie-en risicoprofiel, zowel in economisch sterke als in eerder zwakke jaren, een beperkt deel van het groepsresultaat krijgen toebedeeld. Meestal vertonen deze ondernemingen tevens een vrij stabiel resultaat doorheen de tijd.

De groepsvennootschap (of de enkele groepsvennootschappen) die de belangrijkste functies waarneemt en de sleutelbeslissingen/risico’s neemt, plukt daarvan de vruchten in goede tijden, maar draagt daarvan de negatieve gevolgen wanneer het tegenzit. Heel wat ondernemingsgroepen in België passen dit gecentraliseerd ondernemingsmodel toe. De belastingadministraties verwachten dat de statutaire resultaatstoewijzing dit ondernemingsmodel volgt. De fiscaal correcte (in lijn met het toegepaste ondernemingsmodel) toewijzing van het groepsresultaat wordt in de praktijk vorm gegeven door middel van het voeren van een aangepaste verrekenprijspolitiek.

Verrekenprijzen

Verrekenprijzen (of transfer prices) zijn de prijzen die geplakt dienen te worden op de diverse transacties die tussen groepsondernemingen plaatsvinden. Deze transacties kunnen slaan op de ver- en aankoop van goederen en grondstoffen, het leveren van groepsdiensten, het verstrekken van financiering, het ter beschikking stellen van immateriële activa, enz. Er vinden zo duizenden/miljoenen transacties per jaar plaats en elk van die transacties of transactiegroepen dient fiscaal correct te worden geprijsd. Ondernemingen dienen hierbij het zogenaamde ‘arm’s length’-principe te respecteren. Hiermee wordt bedoeld dat de verrekenprijzen tussen groepsleden dienen te worden bepaald alsof de bewuste transacties zouden plaatsvinden tussen onafhankelijke ondernemingen in identieke of soortgelijke omstandigheden. De verrekenprijzen dienen dus marktconform te zijn en mogen in principe niet of maar in beperkte mate worden beïnvloed door de onderlinge verbondenheid van de leden binnen een internationaal opererende en gestructureerde ondernemingsgroep.

Belastingadministraties over de ganse wereld (België natuurlijk inbegrepen) vereisen dat bedrijven door middel van verrekenprijsdocumentatie aantonen dat bovenvermeld ‘arm’s length’-principe wordt nageleefd. Deze verrekenprijsdocumentatie wordt vaak met de hulp van externe transfer pricing consultants opgemaakt. Deze consultants passen internationaal aanvaarde principes (onder andere terug te vinden in de OESO verrekenprijsrichtlijnen; deze werden vaak lokaal omgezet in wetgeving of administratieve regelgeving) toe om die documentatie op te maken. Men onderbouwt het marktconform karakter van de (uitkomst van de) verrekenprijzen door zich te beroepen op allerlei (commerciële) databanken (zoals bv. Orbis of Amadeus) die financiële gegevens van onafhankelijke ondernemingen bevatten. Deze databanken worden gevoed door informatie vervat in de jaarrekeningen die in de diverse landen worden neergelegd en gepubliceerd.

In de praktijk maakt men vaak gebruik van de financiële data van de drie of vier voorafgaande jaren. Voor het onderbouwen van het marktconform karakter van de uitkomst van de toegepaste verrekenprijzen in het jaar 2020 gaat men in principe terugvallen op de gegevens uit de periode 2017-2019 (of 2016-2019). Gezien het uitzonderlijk karakter van 2020 stelt zich natuurlijk de vraag of die voorafgaande periode wel een goede referentiebasis vormt om 2020 te kaderen. We komen hier later op terug.

Bijzondere tijden vragen bijzondere maatregelen

Echter bijzondere economische tijden zoals vandaag noodzaken internationaal gestructureerde ondernemingsgroepen soms tot bijzondere ingrepen in hun financieel en fiscaal beleid. De hamvraag is natuurlijk of deze ogenschijnlijke noodzakelijke ingrepen ook fiscaal verantwoord zijn en naar de betrokken belastingadministraties toe kunnen verdedigd worden en door hen zullen aanvaard worden.

De gewone conjunctuurevoluties (een hoogconjunctuur wordt gevolgd door een laagconjunctuur) geven ondernemingsgroepen onvoldoende munitie om, zeker in gecentraliseerde ondernemingsmodellen, te gaan sleutelen aan het door hen toegepaste verrekenprijsbeleid. Een betrokken belastingadministratie zal niet snel toelaten dat groepsondernemingen met een beperkt functie-en risicoprofiel ‘mee in het bad getrokken’ worden in tijden van laagconjunctuur wanneer ze niet mogen meedelen in de financiële successen die behaald worden in een periode van hoogconjunctuur. Belastingadministraties zullen in een laagconjunctuur hun gematigd maar stabiel bedrijfsresultaat claimen en daarop belasting willen heffen.

Maar de huidige COVID-19-crisis is voor heel wat sectoren/ondernemingsgroepen zo maar geen gewone periode van laagconjunctuur. Sommige delen van de waardeketen werden abrupt stilgelegd. Bijvoorbeeld door het stoppen van de aanvoer van grondstoffen, het gedwongen moeten sluiten van een gedeelte van de gewone productie- en/of distributiekanalen, enzovoort. Dit gedwongen stilleggen van de productie en/of de verkoop resulteert in uitzonderlijke kosten. De snelheid waarmee het effect van de huidige crisis zich manifesteert en bedrijven zich geconfronteerd zien met kosten van uitzonderlijke aard is ditmaal ook uitzonderlijk. Waar de impact van de financiële crisis in 2008-2009 zich slechts manifesteerde twee of drie kwartalen na het begin van de recessie, is de impact van de huidige COVID-19-crisis één van onmiddellijke aard. Iedereen, ook de ondernemingsgroepen met een gecentraliseerd ondernemingsmodel, werd in snelheid genomen en werd geconfronteerd met ‘force majeure’ of overmacht.

Ook groepsondernemingen met een beperkt functie-en risicoprofiel werden geconfronteerd met (tijdelijke) sluitingen ingegeven door plaatselijke, landenspecifieke COVID-19-maatregelen. De CFO of fiscaal directeur van een ondernemingsgroep kan zich terecht de vraag stellen of niet de lokale groepsondernemingen (in plaats van de ene entiteit of enkele entiteiten die centraal de beslissingen nemen en de ondernemingsrisico’s dragen) voor deze extra kosten dienen op te draaien. Ook een derde partij zal niet (zomaar) bereid zijn de kosten op zich te nemen die het gevolg zijn van het moeten sluiten van de productievestiging en/of het moeten sluiten van een keten van winkels in een bepaald land.

Mocht de ondernemingsgroep in haar bestaan worden bedreigd en aan de rand van het bankroet staan, is het ook niet uit de lucht gegrepen dat derden, waarvoor de betreffende ondernemingsgroep een belangrijke leverancier of klant is, bereid zouden zijn inspanningen te doen om de groep in kwestie te helpen overleven. Overeenkomstig kan de vraag gesteld worden of in dergelijke omstandigheden het ook niet verdedigbaar is dat groepsondernemingen met een beperkt functie- en risicoprofiel hun duit in het zakje doen en de groep trachten te redden door tijdelijk een stuk van hun ondernemingswinst op te geven of te delen in het groepsverlies. Zowel in de OESO verrekenprijsrichtlijnen als in de Belgische circulaire van 25 februari 2020 zijn er argumenten te vinden om deze stellingen te onderbouwen. Het spreekt voor zich dat, indien men deze kaart (groepsondernemingen met een beperkt functie-en risicoprofiel delen in de klappen uitgedeeld door de COVID-19-crisis) wenst te trekken, de argumenten ter ondersteuning hiervan uitvoerig dienen gestoffeerd te worden in de verrekenprijsdocumentatie.

Ook bij het uitvoeren van de vergelijkbaarheidsanalyse en de economische studies ter onderbouwing van het marktconform karakter van de ondernemingsresultaten behaald in 2020 zullen een aantal heilige huisjes in vraag dienen te worden gesteld of zelfs dienen te sneuvelen.

Zo aanvaardt de Belgische fiscus (hieraan vorm gegeven in haar circulaire van 25 februari 2020) niet dat voor beperkte risico-profielen er bedrijven met twee opeenvolgende verliesjaren meegenomen worden in de finale set van vergelijkbare onafhankelijke ondernemingen. De vraag kan gesteld worden of deze stelling nog kan aangehouden worden in de huidige omstandigheden.

Zoals eerder gesteld, zal de periode 2017-2019 zelden nog een representatieve referentieperiode zijn voor de bedrijfsresultaten behaald in 2020. De vraag stelt zich hoe bedrijven/consultants dit in de praktijk gaan oplossen.

Mogelijke oplossingen zijn de volgende:

  • Men kan een andere positionering binnen het interkwartiel van de economische studie overwegen: bv. een positionering rond het 25ste percentiel in plaats van rond de mediaan;
  • Macro-economische aanpassingen op de historische data kunnen overwogen worden. Er lijkt inderdaad een sterke correlatie te zijn tussen omzet en totale kosten met veranderingen in het Bruto Nationaal Product. De correlatie van deze factoren met inflatie en werkloosheid is veel minder sterk. Hierbij dient wel de juiste macro-economische parameter worden gekozen. Indien men de EU BNP-evoluties zou toepassen, resulteert dit ongetwijfeld in onderschattingen van de impact van de COVID-19-crisis voor bepaalde industrieën of voor bepaalde landen (inbijzonder deze die zwaar leiden of geleden hebben).

Tijdig nadenken over de impact van de huidige crisis op het (fiscaal) verrekenprijsbeleid van de onderneming is een must. Hetzelfde geldt voor het documenteren ervan.

Dirk Van Stappen
Vennoot, KPMG Belastingconsulenten
Professor, Universiteit Antwerpen