Zijn de interesten op een lening bestemd voor de uitkering van een dividend of kapitaal fiscaal aftrekbaar?

Soms kan het interessant zijn om uw vennootschap geld te laten lenen om daarmee een dividenduitkering of een kapitaalvermindering te financieren. De interesten van die lening worden dan door de vennootschap fiscaal in aftrek gebracht. De fiscus weigert tegenwoordig echter vaak de fiscale aftrekbaarheid van die interesten, met de nodige rechtszaken als gevolg. Onlangs werd aan het Hof van Cassatie gevraagd om zich over de fiscale aftrekbaarheid van interesten op dergelijke leningen uit te spreken. Wat heeft Cassatie beslist en welke gevolgen heeft dit arrest? Kunt u fiscaal gezien nog overwegen om uw vennootschap te laten lenen voor een dividenduitkering of kapitaalvermindering?

Waarover gaat het?

Soms kan het interessant zijn voor uw vennootschap om een lening aan te gaan voor de financiering van een dividenduitkering of kapitaalvermindering. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er voldoende winst gemaakt wordt, maar de cashflow het op het ogenblik van een geplande dividenduitkering niet toelaat om het dividend op dat moment ook effectief uit te keren. De vennootschap zou dan kunnen overwegen om het dividend wel toe te kennen, maar de uitkering ervan uit te stellen tot ze de nodige gelden ontvangen heeft. Maar misschien is een dergelijk uitstel niet altijd opportuun. In dat geval zou de vennootschap tijdelijk het nodige geld kunnen lenen.

Vaak wordt ervan uitgegaan dat de interesten op een lening die een vennootschap afgesloten heeft, sowieso aftrekbaar zijn. Alles wat een vennootschap doet, wordt immers geacht beroepsmatig te zijn. Toch is het niet zo eenvoudig.

Welke waren de concrete feiten?

De algemene vergadering van de NV Nyrstar Belgium besliste in 2012 tot een kapitaalvermindering en tot de toekenning van een tussentijds dividend aan haar belangrijkste aandeelhouder. Om de uitkeringen te financieren, sloot ze een kleine maand later een lening af bij een andere vennootschap van dezelfde groep (een zogenaamde ‘verbonden’ vennootschap). In de loop van 2012 betaalde ze op deze lening interesten die ze fiscaal in aftrek nam als een beroepskost.

De fiscus weigerde echter de aftrek van de interesten, omdat deze kost niet gemaakt zou zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden. Daarop stapte de vennootschap naar de rechter, die de fiscus gelijk gaf. De kost van betaalde interesten op een lening die aangegaan is om een dividenduitkering of kapitaalvermindering te financieren moet volgens de rechter niet per definitie aanvaard of verworpen worden, maar per geval beoordeeld worden. In dit geval slaagt de vennootschap er volgens de rechter niet in om aan te tonen dat de betaalde interesten gediend hebben om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

De loutere beslissing tot kapitaalvermindering, de leningsovereenkomst en de jaarrekening met toelichting zijn volgens de rechter op zich onvoldoende als bewijs. Het argument van de vennootschap dat een ander artikel uit het WIB interesten op bij derden aangegane leningen die in de onderneming gebruikt worden, uitdrukkelijk als een aftrekbare kost vermeldt (artikel 52, 2° WIB 92), maakt op de rechter geen indruk. Het is niet omdat een bepaald artikel uit het WIB een aantal concrete kosten vermeldt, dat niet aan de algemene voorwaarde voor de aftrekbaarheid van kosten voldaan moet worden.

Een ander argument van de vennootschap was dat het enige alternatief voor een lening om aan voldoende liquide middelen te komen, de verkoop van een aantal activa was. Die activa heeft ze evenwel nodig voor de uitoefening van haar activiteit, en dus om belastbare inkomsten te kunnen verwerven of behouden. Daaruit volgt volgens de vennootschap dat die lening per definitie eveneens diende om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden, en de interesten dus wel degelijk aftrekbaar zijn. Maar ook dat argument maakt weinig indruk op de rechter…

Wat zegt het Hof van Cassatie?

Het Hof van Cassatie volgt in zijn arrest het Hof van Beroep. Cassatie stelt dat het argument van de vennootschap dat het WIB interesten op leningen expliciet als aftrekbare kost vermeldt, niet wegneemt dat nog altijd voldaan moet worden aan de algemene voorwaarden voor de aftrek van beroepskosten. Die algemene voorwaarden van artikel 49 WIB 92 gelden met andere woorden ook voor de in artikel 52 WIB 92 opgesomde voorbeelden van beroepskosten, zoals interesten. Het volstaat voor de aftrekbaarheid van beroepskosten ook niet dat ze verband houden met het bestaan en de werking van de vennootschap.

Ook het tweede argument van de vennootschap wordt door het Hof van Cassatie verworpen. De loutere omstandigheid dat een vennootschap op het ogenblik dat zij een betaling moet uitvoeren niet over voldoende liquiditeiten beschikt en bijgevolg een lening aangaat, betekent niet automatisch dat de met die lening verband houdende kosten gemaakt zijn om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.

Het Hof van Cassatie geeft dus het Hof van Beroep in dit geval over de hele lijn gelijk. In dit geval is niet bewezen dat aan de voorwaarde dat een kost gemaakt moet zijn om belastbare inkomsten te verwerven of te behouden, voldaan is.

Wat betekent dit Cassatie-arrest nu concreet?

Het is belangrijk te weten dat het Hof van Cassatie duidelijk gezegd heeft dat in dit geval niet aan de voorwaarden van artikel 49 WIB 92 voldaan is. Of dergelijke interesten fiscaal aftrekbaar zijn, is volgens het Hof een zogenaamde feitenkwestie. Er moet met andere woorden per geval beoordeeld worden of de interesten fiscaal aftrekbaar zijn.

Opdat die interesten fiscaal aftrekbaar zouden zijn, moet de vennootschap wel kunnen bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarde dat de lening aangegaan is om beroepsinkomsten te verwerven of te behouden. Of ze dat bewijs effectief kan leveren, moet per geval beoordeeld worden. Raken de vennootschap en de fiscus het niet eens, dan moet de rechter beslissen wie gelijk heeft.

Een louter theoretische verantwoording volstaat dus niet. De rechtspraak eist dat heel concreet aangetoond wordt dat de kosten werkelijk gemaakt zijn om inkomsten te verwerven of te behouden.

Hoe kunt u dat bewijzen?

Opdat de interesten die de vennootschap betaalt op een lening die aangegaan wordt om een dividenduitkering of kapitaalvermindering te financieren, fiscaal aftrekbaar zouden zijn, moet de vennootschap kunnen aantonen dat het aangaan van die lening (en dus het betalen van interesten) niet enkel in het belang van de aandeelhouders is, maar ook in het belang van de vennootschap zelf.

Dat de vennootschap bijvoorbeeld anders activa die ze voor de uitoefening van haar activiteit nodig heeft, zou moeten verkopen, kan een goed argument zijn (maar dat zal van de concrete feiten afhangen).

Dat bewijs kan de vennootschap leveren met het verslag van de Raad van Bestuur over de beslissing om de lening aan te gaan. Het is dan uiteraard wel vereist dat de Raad van Bestuur in dat verslag duidelijk aangeeft waarom het in het belang van de vennootschap is dat het dividend of de kapitaalvermindering onmiddellijk (volledig) uitbetaald wordt, in plaats van (gedeeltelijk) als een tegoed van de aandeelhouders op de vennootschap geboekt te worden. De Raad van Bestuur moet ook aantonen dat de liquide middelen voor die onmiddellijke betaling ontbreken, en duidelijk maken wat de financiële impact van de interesten is voor de vennootschap, in vergelijking met alternatieven zoals de verkoop van sommige activa.

Noteer wel dat het bestaan van zo’n verslag bij een fiscale controle geen zekerheid biedt! Weet ook dat de controleur zich gesterkt zal voelen door het Cassatie-arrest van 19 maart 2020, en misschien best bereid zal zijn de uiteindelijke beslissing bij de rechter te leggen.

U kunt vooraf zekerheid over de fiscale aftrekbaarheid verwerven!

Gaat het over een vrij groot bedrag aan interesten dat uw vennootschap moet betalen en neemt u het liefst geen risico met betrekking tot de aanvaarding van de fiscale aftrekbaarheid van deze kost? Dan kunt u op voorhand een zogenaamde ruling (voorafgaande beslissing) aanvragen bij de fiscus. Daarbij legt u op voorhand aan de fiscus voor dat uw vennootschap een lening wil afsluiten om een dividenduitkering of kapitaalvermindering te financieren, en waarom ze dat wil doen. De fiscus zal u dan op voorhand laten weten of de interesten die uw vennootschap op die lening betaalt, voor hem fiscaal aftrekbaar zijn.

Conclusie:

  • Sluit uw vennootschap een lening af voor de financiering van een dividenduitkering of een kapitaalvermindering, dan zullen de interesten die ze op die lening betaalt enkel fiscaal aftrekbaar zijn indien ze de lening afgesloten heeft om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden.
  • Volgens het Hof van Cassatie is het daarbij essentieel dat uw vennootschap met de nodige bewijsstukken concreet kan aantonen dat deze voorwaarde vervuld is. In de praktijk zal dat vaak zeer moeilijk zijn.
  • Het best verantwoordt u de beslissing om de lening af te sluiten in een verslag van de Raad van Bestuur, waarin gemotiveerd wordt waarom deze beslissing niet alleen in het belang van de aandeelhouders maar ook in het belang is van de vennootschap genomen wordt. Geef ook aan wat de financiële impact van de lening en van alternatieven is voor de vennootschap.

ING Belgium