Cijfers over familiebedrijven: de puntjes op de i

Jozef Lievens

Over familiebedrijven wordt er vaak met cijfers gegoocheld. Een veel geciteerd cijfer is dat “slechts” 30 procent van de familiebedrijven de tweede generatie haalt en slechts 10 à 15 procent de derde en 3 à 5 procent de vierde generatie.

Deze cijfers worden meestal vanuit een negatief perspectief voorgesteld: familiebedrijven zijn kneusjes, die geen lang leven beschoren zijn.

Wie deze cijfers nader bestudeert komt echter tot andere conclusies.

Vooreerst worden de cijfers vaak verkeerd geciteerd. Zij zijn afkomstig van een studie, die in 1987 door Professor John Ward werd uitgevoerd.

In zijn studie concludeerde Ward dat 30 procent de tweede generatie doorkomt (in het Engels “makes it through the second generation”). 10 à 15 procent geraakt door de derde generatie en 3 à 5 procent door de vierde.

In tweede instantie kan men de vraag stellen of deze cijfers noodzakelijk slecht zijn.

Volgens Arie De Geus in “The living company” is de gemiddelde levensduur van een groot bedrijf veertig jaar. Als een generatie in een familiebedrijf 25 jaar omvat dan bestaan er na twee generaties of vijftig jaar volgens Johan Ward nog 10 à 15 procent van de familiebedrijven. Dit zijn zonder meer voortreffelijke cijfers. Is de boodschap van De Geus en anderen trouwens niet dat alle bedrijven – zowel familiebedrijven als niet-familiebedrijven – het moeilijk hebben om langer dan veertig jaar te overleven?

Er is nog een derde, belangrijk aspect. De studie van Ward bracht slechts de overleveringskansen van individuele bedrijven in kaart. Recent werd aangevoerd dat het interessanter zou zijn om een en ander te bekijken vanuit het perspectief van de ondernemende familie.

Uit empirisch onderzoek blijkt immers dat veel grote families na verloop van tijd eigenaar zijn van een portfolio van bedrijven. Het is met andere woorden niet omdat een familie een bepaald bedrijf sluit of van de hand doet dat zij geen andere ondernemingen meer bezit of creëert.

Het zou derhalve veel boeiender zijn om in kaart te brengen hoe lang families als ondernemer actief zijn. Dit zou niet eens verrassende cijfers kunnen opleveren. Waarop wachten onze Vlaamse onderzoekers inzake familiebedrijven?

Terug naar het overzicht

Opvolgersscan

Als eigenaar/bedrijfsleider van je familiebedrijf heb je wellicht het liefst dat één of meerdere kinderen op een bepaald moment het roer overnemen.

Maar hoe bepaal je als ouders objectief of je kinderen hiervoor aangewezen zijn? Patrick De Schutter ontwierp hiervoor de Opvolgersscan.

Een niet-familiale CEO: zes aandachtspunten

Samenwerken met een niet-familiale CEO loopt niet steeds van een leien dakje.

Jozef Lievens stipt 6 factoren aan die het aantrekken van en de samenwerking met een externe CEO kunnen maken of kraken.

Meer weten?

Vier soorten governance in het familiebedrijf

Er wordt vaak beweerd dat governance in familiebedrijven complexer is dan in niet-familiebedrijven. Dat is ongetwijfeld juist. De oorzaak hiervoor is te vinden in het feit dat een familiebedrijf bestaat uit een aantal componenten die elk een aparte soort governance vereisen.

Volgens Jozef Lievens zijn er vier soorten governance vereist :

  • ownership governance
  • business governance
  • family governance
  • wealth governance
Lees meer

Raad van bestuur of raad van advies

Veel familiale ondernemers stellen zich de vraag of ze beter met een echte raad van bestuur of met een raad van advies van start gaan. Volgens Sofie Lerut hebben beide pistes zekere voordelen, maar er zijn belangrijke verschillen.

Lees meer