Pleidooi voor een betere financiële kennis bij bestuurders

“Patrick, als je binnenkort eens een paar uur vrij kunt maken voor mij, dat zou me plezier doen, want ik zou nu toch wel graag eens begrijpen hoe het juist zit met dat debet- en creditgedoe”. Het was een vraag die ik in 1999 kreeg van de toenmalige gedelegeerd-bestuurder van een vooraanstaande financiële instelling in België.

Enkele jaren later, in 2003, was ik in hevige discussies verwikkeld met alle externe bestuurders in een vrij groot Belgisch familiebedrijf over de manier waarop het management de resultaten beïnvloedde door te “schuiven” met waardeverminderingen op voorraden. Helaas tevergeefs, want ik werd opzij geschoven. Eens te meer was er geen aandacht voor de boodschap, maar werd de boodschapper gezien als de baarlijke duivel die de rust van de bestuurders kwam hypothekeren met een aantal moeilijke boodschappen.

Nadat de Vennootschapswetgeving in 2002 werd herzien, met onder meer een aantal strengere eisen inzake de onafhankelijkheid van de commissaris, werden in sneltempo auditcomités opgericht. Dat gebeurde ook in niet-genoteerde bedrijven. De bedoeling daarvan was ongetwijfeld goed, maar de manier waarop hun opdracht werd ingevuld in de praktijk is op zijn zachtst gezegd nog voor heel wat verbetering vatbaar.

Vaak stellen we vast dat uit het “contingent” aan beschikbare bestuurders er een aantal worden toegewezen aan de diverse comités die hetzij moeten (bij beursgenoteerde ondernemingen) hetzij vrijwillig worden ingericht. Specifiek voor het auditcomité, merken we regelmatig op dat het al dan niet beschikken over een toch wel redelijke kennis van financiën, boekhoudmateries en financiële rapportering slechts in een beperkt aantal gevallen het doorslaggevende criterium voor de toewijzing van de desbetreffende bestuurders is.

Dit is ook niet verwonderlijk, omdat de visvijver waaruit je dergelijk bestuurlijk talent kunt halen, eerder beperkt is. Daarom was ik erg blij toen het bedrijf Van De Velde er enkele jaren geleden voor koos om een eerder onbekende, maar wel uiterst beslagen bestuurder aan te trekken om zijn auditcomité een inhoudelijke boost te geven, in de persoon van Marc Hofman.

Maar in veel auditcomités is er dus nog een lange weg af te leggen op het inhoudelijke vlak. Moeten bestuurders die deel uitmaken van auditcomités financiële bollebozen zijn? Neen, zeker niet, maar zij moeten wel in staat zijn om signalen op te vangen die aandacht vragen in de jaarrekening en de financiële rapportering. En aan de hand van gerichte vragen moeten bestuurders zichzelf en hun medebestuurders kunnen geruststellen dat er geen grote problemen zijn.

Ik ben zelf, meer dan tien jaar geleden, begonnen met een jaarlijkse stoomcursus “Balanslezen voor niet-ingewijden”. Tijdens die sessies heb ik aan den lijve kunnen vaststellen dat veel van de aanwezigen (allemaal CEO’s en/of bestuurders) moeite hadden om het verschil te zien tussen een gezonde balans en een balans met een hele hoop mogelijke probleemgebieden.

We mogen toch niet vergeten dat het onder de Belgische Vennootschapswetgeving de bestuurders zijn die de jaarrekening opstellen, vastleggen en ter goedkeuring aan de aandeelhouders voorleggen. Vanuit die optiek houd ik een warm pleidooi voor de onverdroten verderzetting van de “financieel-boekhoudkundige” opvoeding van zowel interne als externe bestuurders, zeker en vooral in de grote wereld van de familiebedrijven. Ook het Instituut voor het Familiebedrijf zal terzake haar verantwoordelijkheid opnemen en haar steentje bijdragen!