Wat familiebedrijven kunnen leren van Argentinië

Argentinië, het land van de tango, roept het beeld van vergane glorie op. Het tijdschrift “The Economist” maakte onlangs nochtans duidelijk dat Argentinië in 1914 tot de tien rijkste landen ter wereld behoorde. Nu is het beeld heel anders. Uit de teloorgang kunnen familiebedrijven lessen trekken.

In 1914 was de levensstandaard in Argentinië gelijk aan 92 procent van het gemiddelde van zestien rijke landen. Het Zuid-Amerikaanse land is nu evenwel teruggevallen tot een levensstandaard die 43 procent bedraagt van die van diezelfde zestien rijke landen. The Economist wijt die achteruitgang van Argentinië aan drie factoren, die ook rijke lessen voor familiebedrijven inhouden.

Stilstaan is achteruitgaan

Ten eerste was Argentinië weliswaar ooit een rijk land, het was allesbehalve modern. Dat blijkt uit de lage scholing van haar bevolking en uit haar massale import van technologie. In 1913 was de helft van haar kapitaalvoorraad in buitenlandse handen, wat de kwetsbaarheid voor externe schokken aanzienlijk vergroot.

Ook familiebedrijven moeten zich behoeden voor continuïteitsillusie: ‘We doen dat al generaties zo, waarom moeten we dat veranderen.’ Dat wil niet zeggen dat familiebedrijven en hun opvolgers het verleden overboord moeten gooien, wel integendeel. Maar ze moeten de geschiedenis verzoenen met het heden en de toekomst. Ze moeten zich laten leiden door de leuze: ‘Ambachtelijk waar het moet, modern waar het kan.’

Renzo Salvadori, de stichter van de Italiaanse pennenproducent “Stipula”, verwoordt de sterkte van een familiebedrijf heel mooi: ‘We hebben de ziel van grootvader en de ziel van kleinkind. Het kleinkind staat voor technologie en drukt dynamisme en de drang om vooruit te gaan uit. De grootvader staat voor traditie en moet de onstuimigheid van het kleinkind temperen.’

Teveel gesloten systemen

De tweede verklaring voor de achteruitgang van Argentinië is haar handelsbeleid. Voor haar export was ze veel te lang afhankelijk van één land, Groot-Brittannië. Na de Tweede Wereldoorlog werd Argentinië een zeer gesloten economie.

Ook familiebedrijven zijn vaak zeer gesloten systemen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat “slechts” de helft van de familiale naamloze vennootschappen met een actieve raad van bestuur er onafhankelijke bestuurders in heeft opgenomen. Nochtans verlichten onafhankelijken de eenzaamheid van de ondernemers, waardoor die laatsten minder fysieke en minder psychische klachten hebben ten gevolge van het leiden van een eigen bedrijf.

Goed bestuur

Ten derde kenmerkt Argentinië zich door slecht bestuur, zoals een gebrek aan instellingen voor de ontwikkeling van een langetermijnpolitiek. Cliëntelisme en vriendjeskapitalisme (crony capitalism) vieren er dan ook hoogtij. Eigenaarsfamilies doen er bijgevolg goed aan om verder te timmeren aan de weg van goed bestuur van het bedrijf en van de familie via onder meer:

. Het installeren van een actieve raad van advies/raad van bestuur met onafhankelijken. Slechts 22 procent van de familiale nv’s heeft een actieve raad van bestuur.

. De formulering van een ware strategie. Ongeveer de helft van de familiebedrijven denkt een strategie te hebben.

. De tijdige opstelling van een familiecharter met duidelijke spelregels voor de familieleden tegenover elkaar en het bedrijf (slechts 1 procent heeft een familiecharter).

. Het verzorgen van de familiale communicatie.

Wie met deze lessen rekening houdt, vermijdt dat het familiebedrijf vergane glorie wordt.