Hocus pocus met de voorraden: de variabele 'prijs'

In dit derde deel van de reeks over voorraden wil ik het graag hebben over de variabele ‘p’ (prijs) in de formule van de voorraadwaarde zoals we die terugvinden in de balans. In het vorige artikel hebben we het uitgebreid gehad over de ‘q’ (hoeveelheid) en wat daarbij de belangrijkste aandachtspunten zijn.

In het inleidende artikel met betrekking tot de voorraden dat midden augustus werd gepubliceerd heb ik al enkele tipjes van de sluier opgelicht. Inzake de prijs moeten we zowel naar de bruto als de netto prijs kijken.

Voor de bruto prijs bestaan er grosso modo drie mogelijkheden: LIFO, FIFO en GGK.

Bij LIFO vinden we de voorraden op balansdatum terug op basis van de oudste aankoopprijzen. LIFO staat immers voor Last In First Out: de voorraden die verkocht worden, worden uitgeboekt op basis van de recentste aankopen. In normale economische tijden waarbij er altijd wat gezonde inflatie is betekent dit doorgaans dat de recentste aankopen wat duurder zullen zijn dan dezelfde aankopen enkele maanden terug. Als gevolg zullen de voorraden die overblijven op balansdatum aan ‘oudere’ (lees: lagere) aankoopprijzen geboekt staan. Dat is een vrij voorzichtige aanpak.

Bij FIFO (First in First Out) hebben we juist het omgekeerde. Hierbij worden de verkochte goederen uitgeboekt op basis van de oudste aankoopprijzen. Bijgevolg worden de voorraden die op balansdatum overblijven aan de recentste (ietwat hogere) aankoopprijzen gewaardeerd.

Ergens tussenin zit de methode van de Gewogen Gemiddelde Kost waarbij na elke aankoop de totale voorraad gewaardeerd wordt in functie van de gedane aankopen. De items die buiten gaan worden telkens tegen een voortschrijdend gemiddelde uitgeboekt. Dat vermijdt grote schommelingen, zowel in de voorraadwaarde als in de geboekte marges. De administratie en opvolging is echter wel complexer.

De FIFO-waardering heeft echter een risico. In inflatoire markten waarin een bedrijf aankoopt maar waarbij de afzetmarkten onder prijsdruk staan zal de aanbieder mogelijks bijkomende prijskortingen moeten toekennen om op een later tijdstip de goederen te kunnen verkopen.

Dat brengt ons bij het aspect van de verplichte waardering van de voorraden op balansdatum volgens het ‘LOCOM’-principe. LOCOM staat voor Lower Of Cost Or Market. Dit betekent dat, indien je de goederen die je op de balans hebt staan op balansdatum op dat moment moet verkopen tegen een lagere prijs dan diegene die jij hebt betaald, je de voorraden moet afwaarderen naar die lagere marktwaarde. Dat is een zeer gevoelige oefening bij bedrijven met snel wisselende collecties (bv. mode), maar ook bij bedrijven met zeer snel roterende voorraden (zoals bederfelijke goederen als groenten of vers vlees). Soms is het zo dat iets op vandaag nog verkoopbaar kan zijn, maar morgen of overmorgen niets meer waard is omwille van het versheidsaspect.

Ook bij modebedrijven vergt de voorraadwaardering op balansdatum vanuit dit oogpunt bijzondere aandacht. Stel dat je een modebedrijf hebt met een zeer grote voorraad handelsgoederen op balansdatum waarbij elk item een initiële kostprijs heeft van gemiddeld 15-40 euro. Bij de ouderdomsanalyse deel je de voorraden in functie van het seizoen waarin je ze hebt aangekocht in. Wanneer daaruit blijkt dat je nog over voorraden beschikt van periode -4 (dus winter twee jaar geleden voor een bedrijf dat op 31/12 afsluit), dan stelt zich natuurlijk de vraag tegen welke prijs je die nog kan verkopen. De conclusie van de analyse kan zijn dat je de initiële kostprijs moet halveren. Dit kan aardig doortikken, wanneer die voorraden bijvoorbeeld nog voor 5 miljoen euro in de boeken staan. Het zou sommigen met “kwade bedoelingen” ertoe kunnen aanzetten om te gaan schuiven tussen de verschillende ouderdomscategorieën van hun voorraden. Als je waarderingsregels bijvoorbeeld stellen dat je op seizoen -1 10% moet afwaarderen, op seizoen -2 25%, seizoen -3 35% en seizoen -4 50%, dan zie je snel de risico’s.

Het mag duidelijk zijn dat de inschatting van de waardeverminderingen op bepaalde categorieën van goederen of producten een gevoelige oefening is waar heel veel zogenaamd “sound judgment” bij komt kijken.

Door met waardeverminderingen te spelen kan je natuurlijk ook op belangrijke wijze de marges op verkopen alsook de resultaten beïnvloeden, met bijvoorbeeld gevolgen op de bonussen van het management.

Maar voor een buitenstaander, zelfs de commissaris, is en blijft dit een zeer moeilijk domein omdat hij/zij geen productexpert is en moet vertrouwen op het oordeel van mensen in de onderneming. Zo diende ik ooit ook eens een voorraad diamanten te waarderen als commissaris. De steentjes die ik bij wijze van voorbeeld in mijn beide handen had liggen zagen er wat mij betreft volledig identiek uit, alleen was het ene steentje van glas en volledig waardeloos en het andere was 125.000 euro waard...

Het verdient dus op de eerste plaats aanbeveling duidelijk de waarderingsregels van de jaarrekening te raadplegen. Die vermelden wat de afwaarderingspolitiek van de vennootschap is. Ten tweede is het belangrijk zowel het jaarverslag van de raad van bestuur als het Commissarisverslag goed na te lezen of er bijzondere opmerkingen vermeld staan met betrekking tot de waardeverminderingen!

Na het Kerstreces zetten we dit mini-reeksje voort met een artikel gewijd aan waardering van voorraden in de context van langlopende, meerjarige contracten.


Geniet van deze rustige feestdagen en blijf gezond!

Patrick De Schutter
Vennoot-Bedrijfsrevisor KPMG
Co-gedelegeerd-bestuurder familiebedrijf.be

Lees ook

Deel 1: Hocus pocus met de voorraden: waarom zijn voorraden een ideaal tovermiddel voor veel (familie)bedrijven?

Deel 2: Hocus pocus met de voorraden: het belang van het begrip kwantiteit

Deel 4: Hocus pocus met de voorraden: werken in uitvoering